Bacteriofaagtherapie voor een chronische MRSA-infectie van een gewrichtsprothese

Dit is de casus van een 72-jarige man met een chronische gewrichtsprothese-infectie door methicilline-resistente Staphylococcus aureus. Na de derde dosis intraveneuze bacteriofaagtherapie leidde een ongebruikelijke, reversibele transaminitis tot het staken van de bacteriofaagtherapie. Desondanks was de behandeling succesvol en werd de ernstige chronische infectie van de patiënt uitgeroeid.

Volgens de conclusies van dit onderzoeksteam is dit het eerste geval waarbij bacteriofaagtherapie met succes is ingezet als adjuvante therapie om een chronische MRSA-PJI te genezen. Er zijn twee andere succesvolle bacteriofaagbehandelingen gerapporteerd voor PJI door MSSA en Pseudomonas [10,11]. Een uniek aspect van onze casus is dat er geen chronische suppressieve antibiotica zijn gebruikt. Er is weinig bekend over de optimale behandelduur of de toedieningswegen bij PJI. Een langere behandeling was gepland, maar de therapie werd gestaakt toen er een significante transaminitis optrad. Niettemin werd een effectieve sterilisatie van het gewricht en het gedevitaliseerde bot van de patiënt bereikt met een IA-bacteriofaagtherapie en een driedaagse IV-bacteriofaagtherapie, in combinatie met standaard IV-antibiotica gedurende 6 weken. Gezien het vermogen van bacteriofagen tot zelfreplicatie, zouden als aanvulling op chirurgisch debridement slechts enkele dagen bacteriofaagtherapie nodig kunnen zijn. Klinische studies zijn nodig om een geschikte duur van de bacteriofaagtherapie onder deze omstandigheden te bepalen [10,11].

Tot nu toe was bij alle patiënten met PJI die succesvol met bacteriofagen zijn behandeld, chirurgisch debridement noodzakelijk [10,11]. Deze ingreep maakt handmatige verwijdering van de biofilm mogelijk, zorgt ervoor dat de prothese behouden kan blijven en maakt de instillatie van bacteriofagen direct op de biofilm mogelijk. Lokale dosering van bacteriofagen kan cruciaal zijn voor het elimineren van biofilminfecties, maar afgezien van casusverslagen zijn de gegevens beperkt [10,11,12]. Bij herhaalde IA-doses traden geen bijwerkingen op, waarschijnlijk door een beperkte systemische absorptie. Toekomstige studies zullen nodig zijn om de juiste toedieningswegen bij PJI te bepalen.
Het meest bijzondere aspect van onze casus was de transaminitis die optrad na de derde IV-dosis bacteriofagen. Deze leek te worden veroorzaakt door de bacteriofaagtherapie. Er werden geen andere afwijkingen in de leverfunctie gevonden en de transaminitis was reversibel en niet levensbedreigend. Figuur 2 toont het verloop van de leverfunctie tijdens de bacteriofaagtherapie.

De patiënt vertoonde hepatomegalie, maar een niet-alcoholische leververvetting werd radiologisch niet aangetoond en de biopsia werd uitgesteld. Meer dan 99% van de IV-bacteriofaagtherapie wordt snel geklaard door de lever en de milt [13,14,15]. De theorie van dit onderzoeksteam is dat de onderliggende steatose de levermacrofagen ertoe heeft aangezet een ontregelde lokale cytokinerespons op gang te brengen wanneer zij werden geconfronteerd met een groot aantal bacteriofagen die op leverniveau moesten worden geëlimineerd. Deze lokale reactie kan ontstekingsveranderingen in de hepatocyten hebben veroorzaakt, wat leidde tot een verhoging van AST en ALT. Dit wordt ondersteund door studies die de rol van levermacrofagen bij steatose onderzoeken en, in oudere studies, de leverklaring van bacteriofagen [13,14,15]. Het is niet bekend of er na toediening van bacteriofagen vaak milde tot matige verhogingen van de leverenzymen optreden. Bovendien is het niet bekend of voortzetting van de IV-toediening van bacteriofagen de transaminitis zou hebben verergerd of zou hebben geleid tot aanpassing en herstel. Vooralsnog moeten intraveneus toegediende bacteriofagen met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met onderliggende leveraandoeningen en moeten de leverenzymen nauwlettend worden gecontroleerd. Deze casus is beperkt omdat we de cytokinerespons van onze patiënt op de bacteriofaagtherapie niet hebben bestudeerd. Toekomstige studies zouden deze respons moeten evalueren om de normale menselijke cytokinerespons op bacteriofaagtherapie beter te begrijpen.

Samenvattend was het behoud van de prothese van de patiënt niet mogelijk vanwege ernstige boterosie. We zijn er echter in geslaagd de ernstige chronische MRSA-PJI van de patiënt te steriliseren met een enkele virulente bacteriofaag, die gedurende drie dagen IA en IV werd toegediend in combinatie met IV-antibiotica. Er is meer onderzoek naar PJI nodig om de optimale duur en wijze van toediening van fagen te definiëren. Bacteriofaagtherapie heeft een enorm potentieel voor de genezing van PJI, maar er moeten klinische fase 1- en 2-studies worden uitgevoerd.

Vertaald uit de bron:
https://www.mdpi.com/2079-6382/9/5/241/htm
Salvage Bacteriophage Therapy for a Chronic MRSA Prosthetic Joint Infection
door James B. Doub,*, Vincent Y. Ng, Aaron J. Johnson, Magdalena Slomka, Joseph Fackler, Bri’Anna Horne, Michael J. Brownstein, Matthew Henry,